• Bernard Derwa

De Heimwee van Stijn Streuvels naar Jef Cleeren



In zijn rubriek de Stoute Schoen laat Bernard Derwa zijn licht over Sint-Truiden schijnen


Nog niet zo lang geleden werd er in Trudocs de loftrompet geblazen voor het aangename, warme klimaat dat onder Jef Cleeren doorheen de stad waaide. En zie, daar zegt onze bekende Stijn Streuvels bijna letterlijk hetzelfde.


De auteur van ‘De Vlaschaard’ (1907) en van ‘De Telloorgang van de Waterhoek’ (1927) was verzot op de Provincie Limburg waarover hij, in de hem typerende stijl, schrijft: “Nergens ter wereld wordt er zo gul onthaald, zo ongedwongen en zo hartelijk als bij de Limburgers. Ge zijt er thuis zonder meer.” (1937). Hij reisde regelmatig naar Hasselt, Sint-Truiden, Zepperen, Zutendaal en Bevingen.


Streuvels volgde lessen in Leuven. Toen zei men ‘vakantieleergangen’, nu heet dat vakantiebijscholingen. Eén van zijn leraars was priester Jozef Peeters. Ze werden dikke vrienden. Streuvels ging dan ook dikwijls op bezoek bij de ouders Peeters, in Sint-Truiden.


En nu volgt zijn getuigenis: ”Een heerlijke herinnering is mij bijgebleven in de huiselijke kring bij vader en moeder Peeters, echte prachtmensen van den oude stam. De vader met zijn joviaal, hartelijk en leutig gemoed en de moeder als gemoedelijke, bezorgde huisvrouw tussen vier grote plaaggeesten van zonen.” Hij typeert de Truienaar als 'joviaal', 'hartelijk' 'leutig', 'gemoedelijk' en 'grote plaaggeest'. Exacter kan de beschrijving van den aard van den 'Bink' uit het 'Cleerentijdperk' niet.


'La Belle Epoque'

Onze wereldbefaamde schrijver verliet met plezier zijn eerder killige geboortestadje Ingooighem om hier te komen genieten van het lachen, van het 'gekscheren' en van het 'de zot uithangen' in de toen nog genoemde “Cowboystad” waar er à volonté 'gezieverd' werd, tot zelfs in het stadhuis. Sint-Truiden ademde 'La Belle Epoque' uit. Er heerste een georganiseerde wanorde in het verkeer, op de Veemarkt en de Varkensmarkt in het centrum en natuurlijk ook – en misschien vooral – in de cafés. Geen mens die aan boetes dacht, geen gas- noch parkeerboetes kon men zich inbeelden. Trouwens, het stadsreglement bestond enkel ‘mondeling’.


Moraallessen moe

De politie had de schier onmogelijke taak de rebelse Truienaar toch een beetje tussen de berries te houden. Ze sleten hun dagen met aanmaningen als ‘doe dat vuur uit, ge moogt niet stoken tussen de huizen’, ‘zet die muziek lager, de geburen kunnen niet slapen’ of ‘ge staat met uw vier wielen op de trottoir, ga daarvan af, de mensen kunnen niet door’. En als ze de moraallessen moe waren, dan hadden ze hun geëigende stopzin: “Allei, ’t is goed ver inne kier!” En als Jef u betrapte, dan verweet hij u ‘enen hoop’, effekes en dan kon hij zijn lach niet meer inhouden.


Spionnen in ’t zwart

Maar het stadje gonsde als een bijenkorf. En nu? Nu gonst er niets meer dan reglementen en betalen. Ten allenkante sluipen spionnen in ’t zwart, geen pastoors, neen, parkeerwachters. Ge kunt geen voet verzetten of ge staat voor een zwarte ‘bonnenschrijver’. Als uw horloge achterloopt, zijt ge geruïneerd. Geen pardon. Zeker weten dat onze Stijn Streuvels nu zou zeggen: “Sint-Truiden, daar ziet ge mij niet meer. Veel gejan maar niks in zen eige”.


Bron : De heer Jean Paul Broos (De Bink, 23ste jaargang, Nr 91). Met dank.

391 keer bekeken0 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven