Kunsthistorica Laura Mathijs (35) over haar passie: "Wanneer een kerk verdwijnt, beseffen mensen vaak pas wat ze verloren zijn"
- Eric Nulens

- 60 minuten geleden
- 5 minuten om te lezen

Ergens op het einde van de Nillies was Laura Mathijs het vriendelijke zondagshulpje achter de toonbank van bakkerij Janssen in de Stapelstraat. Pas veel later ontdekte ik dat zij ondertussen een gerenommeerde kunsthistorica is geworden.
Tijdens een lezing in ’t Lof in de Academiezaal luisterde ik geboeid naar haar heldere uitleg over religieus erfgoed, een wereld waar ik voordien nauwelijks iets van wist. Reden genoeg om een gesprek!
Wie is Laura Mathijs?
“Ik ben geboren op 21 januari 1991, een Waterman dus, in de kraamkliniek van Tongeren. Maar eigenlijk ben ik van bij het prille begin opgegroeid in Sint-Truiden. Ik woon er nog steeds en hou erg van de stad. Mijn middelbare schooltijd was een zoektocht naar wat ik precies wilde worden. Mijn ouders hebben me daar altijd in gesteund. In mijn laatste twee jaren middelbaar ben ik naar het kunstonderwijs gegaan en dat heeft me echt op het juiste spoor gezet. Daarna heb ik aan de KU Leuven mijn master in de kunstwetenschappen behaald. Ik heb me gespecialiseerd in schilderkunst uit de achttiende eeuw, meer bepaald religieuze kunst. Nadien volgde ik ook nog een specifieke lerarenopleiding. Tijdens mijn stage in het Modemuseum Hasselt groeide mijn interesse voor textiel en kleding. Vandaag werk ik als kunsthistorica-adviseur religieus erfgoed bij Erfgoed Haspengouw, een intergemeentelijke projectvereniging van elf gemeenten in Zuid-Limburg. In die gemeenten ondersteun ik de kerkfabrieken. Dat zijn ondertussen meer dan 120 kerken, en door de gemeentefusies, bijvoorbeeld met Tongeren, zal dat oplopen tot meer dan 150. Haspengouw heeft een heel typisch kerkenlandschap: veel kerken op een kleine oppervlakte. Daarom is er bij Erfgoed Haspengouw ook een aparte functie voor religieus erfgoed."

Daarnaast ben ik vrijwilliger bij Sint-Truidense Schatten, waar ik mee verantwoordelijk ben voor de textielcollectie van de Onze-Lieve-Vrouwekerk. Onze stadsgenoot Paul Vanmarsenille, die daar al veertig jaar actief is, heeft me trouwens enorm veel geleerd.”
Je bent gespecialiseerd in religieus erfgoed. Helpt het om zelf gelovig te zijn om dat goed te begrijpen?
“In eerste instantie gaat het natuurlijk over theoretische kennis. In kunst is kijken en opnieuw kijken eigenlijk de beste leerschool. Gelovig zijn is dus niet noodzakelijk om deze functie uit te oefenen. Maar ik ben het wel. Door mijn vrijwilligerswerk in Sint-Truiden heb ik wel gemerkt dat het helpt om de kerkelijke betekenis van objecten beter te begrijpen. Ik herinner me bijvoorbeeld dat we enkele jaren geleden liturgisch vaatwerk aan het inventariseren waren in een open kerk. Een dame vroeg mij toen of ik die stukken wel mocht aanraken met mijn ‘ongewijde handen’. Honderd jaar geleden kon het inderdaad niet dat iemand die geen priester was zomaar een kelk vastnam. Je kan dat een strenge uitspraak vinden, maar eigenlijk zit er ook een waarheid in. Als kunsthistoricus sta je daar soms te weinig bij stil wanneer je de kerkelijke context niet kent.”
"Gelovig zijn is niet noodzakelijk om deze functie uit te oefenen. Maar ik ben het wel.
Wanneer besefte je dat religieus erfgoed jou echt fascineerde? Was er één moment of object dat doorslaggevend was?
“Als kind ging ik met mijn ouders vaak kerken en kastelen bezoeken, ook in het buitenland. Die interesse in kunst en historische gebouwen is me dus eigenlijk met de paplepel ingegeven. De echte keuze voor religieus erfgoed kwam tijdens mijn master in Leuven. Ik twijfelde toen lang tussen schilderkunst en middeleeuwse religieuze kunst. Uiteindelijk ben ik afgestudeerd in de achttiende-eeuwse schilderkunst, vooral dankzij mijn promotor, dr. Katlijne Van der Stichelen. De puzzel viel pas echt in elkaar toen ik in 2019 bij Erfgoed Haspengouw begon te werken. Vanaf dat moment is mijn interesse in religieuze objecten volledig gegroeid. De cirkel is nu eigenlijk rond.”

Veel mensen zien de waarde van kerkgewaden niet. Wat zie jij dat anderen vaak missen?
“Het ambacht. Vooral bij oudere kerkgewaden zie je ongelooflijk veel handwerk: borduurwerk, gouddraad, ingewikkelde patronen. Daar zit altijd symboliek achter. Voor gelovigen geldt vaak: voor God is alleen het mooiste goed genoeg. Bovendien hebben die objecten ook een sociaal verhaal. In kleine parochies spaarden mensen soms jarenlang om een nieuw gewaad te kunnen kopen voor hun kerk. Daarnaast merk ik dat er vandaag opnieuw meer interesse ontstaat voor religieus erfgoed. Dat noemen we religieus toerisme. Sinds corona hebben veel mensen ook hun eigen kerken opnieuw ontdekt. Meer Truienaren bezoeken bijvoorbeeld opnieuw de schatkamer. Ook bij kinderen zie je interesse. Via mijn werk als ‘erfgoedklasbak’ ga ik naar scholen en geef ik workshops rond textiel. Kinderen knutselen met stoffen en proberen te ontdekken hoe een gewaad gemaakt is. Dat spreekt hen enorm aan, ongeacht hun achtergrond.”
Hoe reageren mensen wanneer je vertelt waarin je gespecialiseerd bent?
“Eigenlijk heel positief. Familie en vrienden vinden het boeiend. Sommigen zeggen wel dat ik er nooit mee ophoud, omdat het tegelijk mijn werk, hobby en vrijwilligerswerk is.
Maar dat is net het mooie: dat je job na je studies ook je passie wordt. Ik ga dus nooit met tegenzin werken.”
Wat kan een kerkgewaad vertellen dat een schilderij of beeldhouwwerk niet kan?
“De tastbaarheid. In het Engels spreken we van ‘tactility’: je voelt bijna de textuur van het materiaal wanneer je ernaar kijkt. Een schilderij kan bijvoorbeeld een prachtige drapering van kleding tonen. Denk aan Jan van Eyck, die kerkelijke gewaden zeer gedetailleerd schilderde. Maar wanneer je een echte koormantel of gesp van dichtbij ziet, besef je pas hoe ingenieus dat werk is gemaakt.”
"Het rijk rood fluwelen gewaad dat onze deken met Kerstmis draagt, is bijvoorbeeld meer dan vijfhonderd jaar oud. Zo’n stuk hoort dus niet noodzakelijk alleen in een museum thuis.

Hoe lees jij een kerkgewaad als kunsthistorica? Waar begin je?
“Ik kijk eerst naar het geheel, naar de vorm. Aan de hand daarvan kan je vaak al een datering maken. Textiel speelt ook een rol in de communicatie van een priester met zijn gemeenschap. Onze deken Wim Ceunen hecht daar bijvoorbeeld veel belang aan. Hij draagt zowel zestiende-eeuwse gewaden als jongere exemplaren en geeft daar vaak uitleg bij.
Een rijk rood fluwelen gewaad dat hij met Kerstmis draagt, is bijvoorbeeld meer dan vijfhonderd jaar oud. Zo’n stuk hoort dus niet noodzakelijk alleen in een museum thuis.
Het gebruik van zulke historische stukken is ook een eerbetoon aan onze geschiedenis.”
"Opvallend is dat sommige jongeren vandaag weer openlijk uitkomen voor hun geloof. Onze misdienaars bijvoorbeeld beschouwen zichzelf zelfs als een soort jeugdbeweging.
Wat zijn de grootste uitdagingen voor het behoud van religieus erfgoed?
“Een belangrijk probleem is dat waardevolle gebouwen soms in het vizier komen van projectontwikkelaars. Dan ontstaan er discussies over de toekomst van zo’n gebouw.
Het is belangrijk om de lokale gemeenschap te betrekken bij zulke beslissingen. Kerken kunnen bijvoorbeeld een nieuwe functie krijgen, zoals een bibliotheek of vergaderruimte.
Wanneer een kerk verdwijnt, beseffen mensen vaak pas wat ze verloren zijn. Daarom is het belangrijk om er goed over na te denken.”

Er lijkt opnieuw meer interesse te zijn in religie. Tegelijk zijn er minder priesters. Hoe zie jij dat evolueren?
“Er is wel degelijk een nieuwe generatie priesters, al zijn ze met minder. Waar ze actief zijn, trekken ze vaak opnieuw mensen naar de kerk. Daarnaast worden tegenwoordig ook vrouwelijke en mannelijke voorgangers ingezet die geen priester zijn. Zij mogen bepaalde sacramenten niet toedienen, maar kunnen wel een belangrijke rol spelen. Opvallend is dat sommige jongeren vandaag weer openlijk uitkomen voor hun geloof. Onze misdienaars bijvoorbeeld beschouwen zichzelf zelfs als een soort jeugdbeweging.”
Hoe combineer je wetenschappelijke afstand met respect voor religieuze betekenis?
“Door beiden te erkennen. Als je begrijpt wat een object voor gelovigen betekent, krijg je een extra emotionele dimensie in je werk. De laatste jaren ben ik me daar steeds bewuster van geworden.”

Wordt religieus erfgoed volgens jou onderschat in de kunstgeschiedenis?
“Eigenlijk niet. Kunstgeschiedenis begint immers bij religieuze monumenten: de tempels van de Grieken en Romeinen. In de academische wereld krijgt religieus erfgoed dus zeker de aandacht die het verdient. Mag ik van de gelegenheid gebruik maken om onze expo ‘Textiel met een Ziel’ aan te kondigen in de hoofdkerk van Sint-Truiden. De expo loopt van 11 april tot 11 juni en ik ben er curator van. Het is een samenwerking tussen de Middeleeuwse Textielschat en modeontwerper Dries Van Noten. Het project wordt bovendien gedragen door heel veel vrijwilligers.
Meer info vind je op www.bezieldestad.be
Foto's: Julie Gielen https://juliegielen.be/




Opmerkingen