Nicole tussen de Nederlanders




La Linda,

Ik zit een week lang op de hei met een aantal Neder­landers (spreek uit Neiderlanders) en mijn taalge­voel is volledig in de soep gedraaid. Het zijn echt aardige en heel lieve mensen, maar ze spreken toch helemaal anders dan wij. Alle Taalunie-­inspannin­gen ten spijt, het Nederlands en het Vlaams zijn heel ver uit elkaar gegroeid.


Zozeer dat ik me erg onzeker in mijn eigen Gemeenzame Vlaamse Om­gangstaal ben gaan voelen, en een aantal van hun uitdrukkingen ben gaan overnemen. Ik heb hier geen gebenedijd woord Sintruidens, mijn geliefde dialect kunnen zeggen. Ik zou zo graag hardop willen roepen: valt na doeëd! Door die mondmaskers heen lukt het sowieso niet.


Ik ben een halve Hollandse geworden: ik zie nu ook dat het allemaal zeg maar tussen de oren zit, dat het helemaal hard knokken met jezelf is, dat je een geschenk kan zijn voor de andere, en dat je het vooral moet hérkennen voor je er lek­ ker mee aan de slag kan. Dan pas kan het helemaal zeg maar de goeie kant opgaan. Een opvallende nieuwigheid is het woord ‘heftig’. Veel is ineens hef­tig geworden: een heftige werksessie, een heftige auto (Lexus 4X4), heftige emoties, een heftig boek (Sprakeloos van Lanoye). Gewaffel achter die verdomde mondmaskers.


Waar ik me, als enige Belg in een gezelschap van 18 Nederlanders, voor probeer te hoeden is, is de overgangs –n voor een klinker die zo on­af klinkt: ‘mijnen auto staat plat’, ‘den andere kent er niks van’, ‘den André moet nog komen’, enzoverder. Ik probeer de eind-­t ook volledig uit te spreken ‘ik heb hem niet gezien’, in plaats van het natuurlijke ‘nie gezien’. Kiezen of liever switchen tussen ge en je is ook niet eenvoudig (zeg niet nie simpel).

Merkwaardig genoeg word ik door mijn Neder­landse vrienden geregeld met U aangesproken, waarschijnlijk omdat ze onze U verwarren met een beleefdheidsvorm. ‘Ik heb u gezien’ is eigenlijk het­ zelfde als ‘ik heb jou gezien’. Sommige wagen zich aan het ge­voornaamwoord, en proberen dan ook een zachte tongpunt r te maken in plaats van hun normale grommende keel­r die eigenlijk een eu is. ‘Ge rrraakt daar iets errgs aan’. Klinkt wel grappig.


Het meest onwezenlijke woord, dat minstens duizend keer per dag gebruikt wordt, is lekker. Lek­ ker wandelen, lekker douchen, lekker praten, lekker lezen, lekker dicht bij jezelf zijn, lekker knuffelen. Lekker eten is er niet bij, lekker drinken ook niet. Wij Vlamingen gebruiken lekker alleen wanneer het smaakzintuig erbij betrokken is: een lekkere steak en een lekker glas wijn. Bij de Nederlanders kan elke ervaring, en kan elk zintuig van het pre­ dikaat lekker voorzien worden: een lekkere trek­ tocht, een lekker stukje muziek, enzoverder. Wij zouden zeggen: een toffe trektocht, een mooi stukje muziek


Dat brengt mij tot een heel belangrijke vraag: is de Nederlander meer bekwaam om van het leven te genieten dan wij? Is het leven voor hem een echt Lekkerland, waar wij ons moeizaam voort slepen en ternauwernood het doffe tof kunnen uitbrengen als we iets fantastisch meemaken? Of is dat dwang­ matige lekker een averechtse reactie op eeuwen­ lange calvinistische pilaarbijterij en protestantse boete­ellende? ‘Het leven was lijden, als je danste een heiden, als je lachte te luchtig als je danste ontuchtig’, zoals Robert Long zo mooi zong.

Een van de deelnemers kwam terug van de dou­che en hij mompelde gedachteloos voor zich uit: ‘Zo, hé, hé, lekker’. Op het tempo van zijn sloefende pantoffels. Hij klonk echt content. Ik was oprecht blij voor hem.


Drèe dikke pöene, be of zonder mondmasker.

Nicole V.


P.S. O ja, weet je wat die kezen zo grappig vinden? Mijn achternaam. Om je te bescheuren, riep er ééntje. Last van je scheur, vroeg een andere. Verscheur je niet, ook zo’n geestige. Weer een complex bij.


Wie zich het boek 'Nicole & Linda' kan dat via de website www.pauldesmedt.be

271 weergaven1 opmerking

Recente blogposts

Alles weergeven