top of page
t_high.png

De Wereld van Tony De Voeger: "Delhaize Daklozen"

 


Hij ziet de onwaarheden en de verzinsels. Hij ziet hoe de kalkoenfilets en de kippenbouten met elkaar aan het vrijen zijn. 

 

Bij de ingang van de Delhaize staat een man in een rode bodywarmer. Hij groet iedereen die binnenkomt. In zijn handen heeft hij kleine boeketjes bloemen. Hij is de enige ­persoon in de winkel die geen haast heeft. Die niet ergens anders wil zijn. De man staat al zo'n half jaar op dezelfde plek. En hij staat er prima. Daar, naast zijn berg van boodschappenmandjes. 

 

Toen ik hem voor het eerst zag staan, wilde ik hem helpen. Zijn aanwezigheid riep een soort ontfermingsdrang bij me op. Ja, hij had mij nodig. Zo voelde ik het. Maar vandaag de dag weet ik dat het andersom is. Ik heb hem nodig. Zo nu en dan wil ik hem zelfs zijn. Wil ik aan hem vragen of ik een dag met hem mag ruilen. Ik wil daar staan met die boeketjes. Goedemorgen zeggen tegen iedereen die komt en goedeavond zeggen tegen iedereen die de winkel verlaat.

 

Ik geloof niet in god, maar als ik wel in god zou geloven, zou ik zeker weten dat dakloze mensen zijn ogen zijn. Dus ook deze man bij de ingang van onze Delhaize. Hij oordeelt niet, maar hij ziet alles. Hij ziet dat ik dingen koop waar je alleen maar vet van kunt worden. Hij ziet de onwaarheden en de verzinsels. Hij ziet hoe de kalkoenfilets en de kippenbouten met elkaar aan het vrijen zijn. Hij ziet de winkelkarren vol pitloze druiven en hij ziet de kinderen die niet eens weten dat druiven ooit pitten hadden.

 

Maar hij oordeelt niet. Nee. Soms denk ik dat hij een engel is en dat hij die bodywarmer alleen maar draagt omdat hij zijn vleugels eronder kan verstoppen. Ja, dat rode vestje, die gilet, is zijn vleugelhouder. Vroeger had ik medelijden met hem, maar nu hoop ik dat hij medelijden met mij heeft. Dat hij begrijpt dat ik ook maar wat doe. Dat ik ook maar wat aanmodder en dat mijn dagen uit drijfzand bestaan. 

 

En hij staat daar gewoon. Hij staat daar fier overeind naast zijn berg van manden. Bijna niemand koopt zijn uitgedroogde en halfverslenste bloemen, maar hij blijft wel iedereen groeten. Hij weet meer. Veel meer. Op het moment dat ik aan het afrekenen ben, zie ik hem zijn boeketten inpakken. Zijn werkdag zit erop. We lopen samen naar buiten. Het regent. Een man met een lelijke wijnvlek op zijn wang loopt langs, hij kijkt alsof hij de enige persoon in Sint-Truiden is die nat aan het worden is.

 

Ik volg de man die best wel eens een engel zou kunnen zijn. Ik hoop dat hij zijn bodywarmer uitdoet en dat ik zijn vleugels kan zien, maar het regent. Als hij nu zijn gilet uitdoet, worden zijn vleugels nat en kunnen ze krimpen. De man duikt onder de spoorwegbrug in om tegen de regen te schuilen. Hij wenst me een goede avond en daarna kijkt hij naar de diepdonker wordende wolken. “Ik ben niet van suiker, maar ik smelt wel," zegt de man.

 

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page