top of page
t_high.png

De Wereld van Tony De Voeger: "Eenzaamheid op een skatebord"

Een wat oudere man zit op een bankje voor het ziekenhuis. Hij eet een sandwich met kaas en hesp. De zitbank staat precies tussen de parking en het ziekenhuis in.


Het asfalt ligt vol diepe plassen. Een automobilist scheurt voorbij. De spetters belanden op de versleten tippen van zijn schoenen. De man buigt voorover en kijkt naar de vieze spetters. “Sorry meneer,” schreeuwt de chauffeur hangend uit zijn grijze Citroën Berlingo, maar de man is helemaal niet boos. Hij ziet er eerder opgetogen uit. Blij dat de spetters precies hem hebben uitgekozen. Een jongen met een blauwe gipsarm neemt plaats naast de man en strekt de benen uit. “Hoe is dat gebeurd?” vraagt de man. “Voor mijn verjaardag kreeg ik een nieuw skateboard van mijn vader.” “Dat is wel superlief.” “Zeker, maar ik had er helemaal niet om gevraagd. Ik had er zelfs nog nooit over gesproken. En met een goede reden. Ik ben veel te impulsief voor planken op wielen.” “En toch zit je nu hier met een arm in het gips.”


“Mijn vader en moeder zijn gescheiden. Mijn kameraad zei dat mijn vader vreemdging met zijn moeder. En toch blijft mijn moeder hem verdedigen. Kunt ge u dat voorstellen? Ook over dat stomme skateboard. Ze zei dat ik het gewoon een keer moest proberen. Dat ik mijn papa heel gelukkig zou maken als ik het probeerde. Dus ik probeerde het. En nu zit ik hier naast u.


Bent u ook ziek? Of bent u op bezoek bij iemand?” “Ik ben kerngezond en ook niet op bezoek bij iemand.” “Waarom zit u dan hier bij het ziekenhuis?” vraagt de jongen. “Hoe oud ben je?” “Veertien jaar en vier maanden.” “Dan ben je net oud genoeg voor de waarheid. Als ik hier kom zitten, is iedereen aardig voor me.” “Maar de mensen zijn alleen maar aardig voor u, omdat ze denken dat u ziek bent of dat u iemand kent die ziek is.” “Ik heb mensen genoeg gekend die ziek waren. Maar die mensen zijn nu op een plaats waar ze niet meer ziek kunnen zijn.” “Dus u kende mensen die ziek waren, maar het niet meer kunnen zijn, dus daarom doet u nu zelf alsof u ziek bent?” “Ik doe niet alsof. Ik doe nooit alsof. Ik zit gewoon op deze bank voor het ziekenhuis. Als ik hier zit, lachen de mensen tenminste naar me. Op deze zitbank ben ik niet onzichtbaar.


Ken jij mensen die eenzaam zijn?” vraagt de man. “Volgens mij is mijn moeder wel eenzaam. En er is iets met het kopkussen van mijn vader aan de hand. Hij woont al bijna een jaar niet meer bij ons, maar ze heeft zijn kussenovertrek nog nooit vervangen. Zoiets doe je toch als je eenzaam bent?” “Dat durf ik niet te zeggen.” “Ik wel. Ik denk dat ze eenzaam is. Erg eenzaam. Ze is ook de hele tijd aan het bellen. Kijk, daar staat ze. Bij de ingang. Als ze belt, hoeft ze niet na te denken of zo. Dat zei ze laatst tegen mij.” “Ben je wel een beetje lief voor je mama?” vraagt de man. “Zo lief als ik kan, meneer. Ik ben een lamlendige puber en lamlendige pubers staan niet echt bekend om lief te zijn. Maar ik begrijp wel waarom mijn moeder zo verdrietig is.” De moeder fluit op haar vingers en de jongen zegt dat hij moet gaan. “Als mijn moeder dadelijk aan me vraagt wie u bent en wat u heeft, wat zeg ik dan?” “Zeg maar dat ik Tony ben en dat ik dat skateboard wel van je wil overkopen.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page