top of page
t_high.png

De Wereld van Tony De Voeger: "Over de kunst van tevreden zijn"


Als kleine jongen dacht ik altijd dat ik met dieren kon praten, maar nu ik volwassen ben weet ik het zeker. In een groep mensen voel ik me vaak onbegrepen, maar als ik omringd word door ganzen of een ander groepje dieren, ben ik niet meer die excentriekeling.

 

Dieren oordelen niet. Ik heb ook nooit begrepen waarom de mens altijd boven het dier wordt geplaatst. De mensheid zit op een troon die van plakkaat, eigendunk, bevelschriften en leugens is gemaakt. Stikstijf bevroren, dat zijn we, maar een gebrek aan warmte maakt nog geen vorstelijk leven. Als ik naar dieren kijk, wil ik leven. Als ik naar mensen kijk, hunker ik naar twee ooglappen. De mens heeft zichzelf belachelijk belangrijk gemaakt. We zijn Trumpen in het kwadraat.

 

Het allerfijnste aan dieren vind ik dat ze totaal geen ambitie hebben. Ze wonen in een boom of ze liggen op de grond. Ze zijn geen slaven van de onrust. Dieren willen niet het beste uit zichzelf halen. Ze koesteren de tevredenheid zoals mensen vooruitgang koesteren. De mens leerde al heel vroeg dat hij altijd het beste uit zichzelf moet halen, maar volgens mij hebben we die les iets te letterlijk genomen, want het beste is al lang de laan uitgestuurd. 

 

Het beste gesprek dat ik ooit met een dier heb gehad, was een gesprek met een paling

op het Gardameer. De paling was blind aan één oog en het regende. Hij vroeg aan mij wat ik in Italië deed, ik antwoordde dat ik op een romantisch weekendje met mijn vrouw was. De paling moest lachen, zijn stompe snuit sidderde van plezier.

 

Toen begon hij over zijn ene oog. Als een watermaarschalk sprak hij over hoe zijn handicap een geschenk was geworden. Hij zag meer met dat ene oog dan vroeger met twee ogen. De paling nam de regen als voorbeeld. Vroeger toen hij nog twee ogen had en naar de ­regen keek, zag hij te veel druppels. Op de dag dat ik met de paling sprak, zag hij precies genoeg druppels om de regen te kunnen zien.

 

Een ander goed gesprek had ik met Kobus, mijn huiskat toen ik nog in de Breendonkstraat woonde. Kobus was er voor mij in de jaren dat ik eigenlijk op niets of niemand recht had. Maar hij was er. Zelfs als ik zeven dagen niet gedoucht had, kwam hij op m’n schoot zitten. Hij zag me honderden keren masturberen, maar hij veroordeelde me niet, nee integendeel, soms gaf hij me een kopstoot aan mijn laptop op het moment dat ik net klaar was. 

 

Op een dag zei Kobus, volgens mij was hij net klaar met het grondig schoonlikken van zijn staart, dat ik een boek moest schrijven. Hij zei dat hij in al zijn negen levens nog nooit zo'n uitzonderlijk verdrietig mens had gezien. Een dag later begon ik aan mijn eerste pagina.

 

Om Kobus te bedanken, kocht ik een nieuwe mand voor hem. Aan zo’n paal. Een katerpaleis. Het ding had meer krabpalen dan het Capitool in Washington en op twee van die zuilen balanceerde een mand die nog zachter aanvoelde dan het satijnen nachthemd van mijn ex-vrouw uit Hoepertingen.

 

Maar Kobus was niet onder de indruk van mijn cadeau. Hij eiste zelfs dat ik het ding op mijn balkon in brand stak. Kobus had geen nieuwe mand nodig. Hij was geen mens. Hij was een naar niets verlangende president met snorharen. Volkomen gelukkig keek hij naar de vlammen. Zijn staart zwiepte als een dansende duivel in de hel.

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page