De Wereld van Tony de Voeger: "Paul McCartney op Lijn 92 naar Heers"
- Tony De Voeger

- 30 aug
- 2 minuten om te lezen

Vanuit de bus uit Heers zie ik een jongen op de straat spuwen. Er zitten gaten in zijn jeansbroek en zijn haar hangt voor zijn ogen. Hij kijkt naar de grond, en niet omdat hij onzeker is, maar gewoon omdat de wereld hem niet interesseert. Voor hem is alles Beatlesmuziek.
Deze jongen wil de wereld niet veranderen, nee, hij wil gewoon een nieuwe vriendin. Een meisje met donkere slaperige ogen dat een enorme afkeer van Paul McCartney en z’n vrienden heeft. Een meisje aan wie hij de liedjes die hij schrijft kan laten horen. Het zijn donkere liedjes. Ze zijn te donker voor zijn jongere broertje.
De jongen maakt zich klaar om nog een keer te spuwen. Hij spaart speeksel op onder zijn tong. De jongen is boos op de wereld, maar hij weet nog niet waarom. De envelop en het briefpapier ligt al klaar op zijn bureau, maar hij moet de tekst nog schrijven.
Mijn bus begint weer te rijden, ik kijk naar de jongen. Ik ben jaloers op hem. Hij heeft nog geen reden om de wereld te haten. Terwijl ik naar hem kijk, denk ik aan alle redenen waarom hij de wereld haat.
De daklozen die hem steeds weer aanstaren, het onvermogen van de maatschappij, de haat die liefde blind maakt, de goden die als gangsters worden gezien en de gangsters die geprezen worden als afgoden. Zijn wereld is een omgekeerde geworden en in een omgekeerde wereld leven de mollen boven het gras. Hun volstrekte blindheid is de totale waarheid geworden.
De jongen spuwt in de richting van een betonnen bloembak. Ik wil met hem mee spuwen en kijken wie van ons tweeën deze speekseltest zal winnen. Ik hoop dat zijn speeksel verder zal komen. Zijn speeksel is misschien alles wat hij nog heeft.
Oost-Indische inkt
De jongen wil de wereld niet veranderen, hij wil gewoon een nieuw meisje. Een meisje dat met Oost-Indische inkt geïnjecteerd zal worden op haar bovenarm. Haar arm en de rest van haar lichaam is van duur papier. Hij ziet de tatoeage voor zich. De huid rondom de letters is nog rood uitgeslagen.
De bus rijdt de Kattenstraat in. Ik vraag me af of Paul McCartney weleens op straat spuwde. Of het wonderkind soms ook gewoon een kind was.
Spuwde hij tussen het schrijven en het zingen door op de straatstenen van Liverpool? Of mikte hij op Penny Lane naar de bomen? Kon hij verder spuwen dan John Lennon, of was hij een matige spuwer en waren hun geprezen liederen in eerste instantie niets anders dan klagende klaagliederen?
Als ik de bus uitstap, wil ik spuwen. Maar ik ben geen tiener meer. Ik leef niet meer in die prachtige periode dat spuwen nog geweldig was. Er zitten geen gaten in mijn jeansbroek en de haren van m’n wenkbrauwen zijn te kort om voor mijn ogen te kunnen hangen. En ik wil ook helemaal geen nieuwe vriendin, nee, ik denk er zelfs niet aan. Ik wil alleen denken dat ik voor héél even de wereld kan veranderen.





Opmerkingen