top of page
t_high.png

De Wereld volgens Tony De Voeger: "Afscheid van Winston"

ree

Op de dag dat mijn zoon en schoondochter terug aan het werk moesten, werd hun kat ziek. Het zag er eerst niet ernstig uit, maar we brachten hem voor de zekerheid toch naar de dierenarts. De Luikersteenweg baadde die middag in een gesluierde wolkenzon.

 

Na wat speurwerk kroop Winston rustig in zijn tijdelijk hotelbed. Hij had water en hij had brokjes. En er hing een gezonde sfeer. Ik wist bijna zeker dat hij hier beter ging worden. Dit zei ik ook tegen mijn kleinzoon. “Beloof je dat Winston weer beter wordt?” vroeg hij. Ik beloofde het. Want zo ben ik. Ik beloof altijd te veel. En niemand vergeet beloftes. Kinderen al helemaal niet. Beloftes staan als oneindige hemelbogen boven hun leefwereld.

 

Twee dagen later belde mijn zoon dat Winston was overleden. Iets over een agressieve tumor, veel vocht en de woorden ‘in laten slapen’. Ik heb inslapen altijd al een prachtig woord gevonden. Het klinkt als slapen in een met dons overgoten hemelbed. De kalmte die op wollige huissloffen je lichaam binnensluipt en een allesomvattende rust achterlaat.

 

“Vertel jij het aan de kleine? En maak er maar een beetje een mooi verhaal van.” Ik zakte door mijn knieën, keek recht in de ogen van mijn kleinzoon en vertelde hem dat Winston naar een betere plek was gegaan. Ik haat het als mensen dat zeggen. “Hij is naar een betere plek, naar een plek waar geen pijn kan zijn.” 

 

We verheerlijken het eeuwige om onszelf gerust te stellen. We maken van een sterfdag een kermisdag. Het is daar beter dan hier. Een schimmenrijk waar pijn niet kan bestaan. Ik moet er niet aan denken. Pijn is eerlijk. Doodeerlijk. Pijn belooft niets.

 

Een dag later reden we naar Amicitia om afscheid te nemen. Mijn kleinzoon zat op de achterzetel met een rode kunststofroos. De kat was zijn allerbeste vriend. De kat moest ook altijd mee. Als hij bleef slapen, lag Winston bij zijn voeten als hij wakker werd. Dan rook hij met dat zachte neusje aan zijn kleine voeten. 

 

“Wij komen afscheid van Winston nemen.” De vrouw achter het onthaal tikte wat in, keek over haar brilletje op een oud computerscherm en wees naar een te lage zetel in de hoek van de hal. Vijf minuten later stond er een vrouw gebukt in een grijze polo voor ons.

 

“Hij is niet mooi uit de koeling gekomen,” zei ze. “Niet mooi uit de koeling gekomen?” De vrouw strekte haar armen uit en gooide haar hoofd ver naar achter. “Hij is zo uit de frigo gekomen. Niet heel mooi dus.” “Dan komen we morgen weer terug. Zou je er alsjeblieft voor willen zorgen dat hij morgen wel mooi uit de frigo komt?”

 

Op de terugweg stelde mijn kleinzoon de onvermijdelijke vraag. “Wat doet Winston in een frigo opa?” Ik keek naar mijn vriendin en zij knikte naar het stuur. Zij was aan het rijden, het stuur was voor haar redding. “Maak er wel een beetje een mooi verhaal van,” fluisterde ze, net voordat ze de autoradio stiller zette.

 

“Winston was een lieve kat, toch? Hij was dus zo lief en zoet dat de dierenartsenmensen dachten dat hij een groot vanille-ijsje was.” “Echt waar?” “Echt waar!” Ik pakte mijn telefoon, zocht in de Spotify app naar Guns N' Roses, en klikte op ‘Knockin On Heaven's Door.’

 

Net voorbij de Senselberg bracht de basgitaar van Duff McKagan ons naar een betere plek.

 


 
 
 

Opmerkingen


bottom of page