top of page
t_high.png

De Wereld volgens Tony De Voeger: "Kwak en Boemel in de speeltuin"

ree

De mannen drinken en draaien nu zo snel dat de blikken uit de bocht vliegen. Ze hebben alleen maar gedronken en nog steeds niet geklonken.

 

Op het bankje naast de speeltuin zitten twee mannen grote blikken bier te drinken. Terwijl de kinderen het trappetje van de glijbaan beklimmen, glijden de twee mannen steeds verder af. Ze zijn zo dronken dat ze zich onzichtbaar wanen.

 

Een meisje zit op de schommel. Ze draagt witte schoentjes onder een roze jurkje. Ze schommelt zo hoog dat de vogels die over Nieuwenhoven vliegen haar moeten ontwijken. 

 

De mannen trekken twee nieuwe blikken bier open. Ik hoop dat ze voordat ze een slok nemen met elkaar klinken, maar ze klinken niet. Niet omdat je met blikken niet kan klinken, maar ze hebben niets om op te klinken en daarom dat ze drinken.

 

De ene man draagt een trainingspak van een voetbalploeg uit Kortenbos die niet meer bestaat. In zijn rechterschoen zit een gat. Zijn grote teen steekt uit de schoen als de periscoop van een duikboot. De andere man is met een tandenstoker een bakje tonijnsalade leeg aan het eten. 

 

Hij ziet er slim uit, maar ook verward. Hij lijkt erg op mijnheer Cresens. Cresens was mijn oud leraar wiskunde, die op een dag de tel compleet is kwijtgeraakt.

 

Mijn kleinzoon zit op de wip. Aan de andere kant van de wip zit een jongen die minstens anderhalve kop groter is.

 

Misschien moet ik op de mannen afstappen en ze vragen weg te gaan. Maar ik weet eigenlijk niet waarom. Ze doen niets verkeerds. Dit is ook hun speeltuin. De kinderen in de speeltuin zien de mannen niet en de mannen zien de kinderen niet. Ze leven in dezelfde wereld, maar op een ander continent.

 

De kinderen zijn in een speeltuin op het domein aan het spelen. Voor de mannen is het domein een speeltuin. Een bijzonder verraderlijke speeltuin. Ze liggen met bloedende knieën onderaan de klimrekken. Alles draait. 

 

Ze hebben samen een paardenmolen van bierblikken gebouwd. De ene man stapt op het paard en de andere man neemt plaats in de koets. Ze drinken en ze draaien. Hun wereld is een waas van lichtjes en vage schaduwen. Ze draaien en ze drinken. En ze wachten op het allerlaatste rondje.

 

Het meisje schommelt nog steeds de vogeltjes naar het firmament. De witte schoentjes zijn van haar voeten gevallen. Er staan zeepaardjes op haar sokken. Haar vader staat vijf meter achter haar. Hij kijkt de hele tijd op zijn telefoon naar buienradar. En soms naar haar. Ook hij is in een andere wereld. Zijn gsm is zijn speeltuin.

 

De mannen drinken en draaien nu zo snel dat de blikken uit de bocht vliegen. Ze hebben alleen maar gedronken en nog steeds niet geklonken.

 

Wanneer het schommelmeisje van de schommel valt, kijken de mannen naar het meisje. Voor heel even komen de continenten samen. Ze nemen geen slok. De man in het trainingspak loopt naar haar toe en vraagt of ze pijn heeft. Ze zegt nee.

 

“Wilt u misschien even duwen, meneer?” vraagt het meisje aan de man. “Dat is lief van je, maar ik durf niemand meer te duwen. Ik weet hoe het voelt. Geloof mij. Niets duwt zo hard als het leven zelf.” 

 

“Gaan we naar huis opa?” Bij het verlaten van Nieuwenhoven striemden de eerste regendruppels al tegen de autoruit.

 

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page