top of page
t_high.png

De wereld volgens Tony De Voeger: "Sint-Jozef en zijn lieve vrouwen"


Ik zit weer op de bank voor het ziekenhuis. Mijn goede vriend Eric is op de derde verdieping aan het chemokuren en ik wacht op hem. Ik kijk naar de mensen die het ziekenhuis binnenlopen en ik kijk naar de mensen die het ziekenhuis verlaten.

 

Kersverse ouders. Een jonge vrouw in een rolstoel met een maxicosi op haar schoot. In de kinderstoel ligt een petieterig Binkenwondertje te slapen. Het is een meisje. Ze is haar allereerste droom aan het dromen. Dan schrikt ze wakker. Ze hoort voor het eerst het getoeter van een trein.

 

Een oude man komt naast me op de bank zitten. Hij trekt het mondkapje van zijn gezicht af en steekt een sigaret in zijn mond. Verderop staat een bord waarop de woorden ‘Rookvrije Zone’ staan, maar deze man is van een andere tijdszone. Misschien is dit zijn laatste dag. En zijn laatste sigaret. De trein remt af voor hij  het station binnenrijdt en maakt een snerpend geluid. Misschien is dit de laatste keer dat de oude man een trein hoort.

 

“Ik ben de directeur van het ziekenhuis. Vandaar dat ik hier gewoon mag roken. Dit is hier toch campus Sint-Jozef? Jij weet dat niet, maar ik ben Jozef. Voor mij gelden andere regels.”

 

Een vrouw stapt uit een taxi en loopt al bellend het ziekenhuis binnen. “Duimen voor me hè! Ik bel je later.” Haar stem gaat alle kanten op. Een plastieken zakje in de wind. Een meisje in een rolstoel. Haar onderbeen in het gips. Haar moeder duwt haar richting de schuifdeuren. Een jonger zusje volgt de rolstoel op zes meter. Ze is boos. Haar grote zus krijgt alle aandacht, omdat ze onhandig is. Op het gips staat ‘I Love Pommelien Thijs’ in purperen drukletters.

 

De volgende baby rolt het ziekenhuis uit. Een jongetje met een geel-blauw mutsje op. Het Kanarielogo pal op zijn voorhoofd. De vader duwt zijn gezicht in de maxicosi. De moeder ziet bleek en de baby lijkt op zijn vader.

 

Jozef stampt zijn sigaret uit op de grond en zegt dat hij weer naar binnen moet. Een belangrijke vergadering. Nog een rolstoel. Een vrouw duwt haar man naar buiten. De man mist een been. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze beter moet sturen. Ze negeert zijn klaagzangen. “Wil je alsjeblieft wat beter sturen? Ik word gek hoe jij met deze rolstoel rijdt.” “Loopt dan zelf Michel.” Hij schiet in de lach, en zij geeft een kus op zijn kale kop. Dan loopt de vrouw die bellend het ziekenhuis binnenliep, niet bellend naar buiten. Het duimen heeft niet geholpen. Ze heeft slecht nieuws gekregen. Ze pakt haar telefoon en drukt hem uit. Ze heeft geen zin om te praten. Morgenochtend doet ze hem wel weer aan.

 

Dan komt Eric met een rolstoel uit het ziekenhuis. Een lieve verpleegster brengt hem terug en wuift ons uit. We lopen naar de verkeerslichten. Als we willen oversteken springt het mannetje op rood. Er komt een bus aan. De bestuurster ziet ons staan en gebaart ons een vrije doorgang. De vrouw achter het stuur van de bus blaast een kusje naar ons. Sint-Truiden is helemaal niets zonder zijn lieve vrouwen.

 

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page