top of page
t_high.png

Luizen, ratten, vijf Ieren en een pest die niemand opschreef

1 minuut geleden
7 minuten om te lezen

Ergens in de veertiende eeuw sterft een Truienaar aan de pest. Hij krijgt een eigen graf op het kerkhof van de Onze-Lieve-Vrouwekerk, netjes volgens de regels, en geen kroniekschrijver verspilt er een letter aan. Zevenhonderd jaar later leest een laboratorium de pestbacterie af in zijn tanden. Het agentschap Onroerend Erfgoed bundelt nu alles wat 404 skeletten van onder de Groenmarkt hebben prijsgegeven, in het grootste onderzoek naar oud DNA ooit op één opgraving. Het is een verhaal over wie we zijn, hoe we leefden en waaraan we doodgingen.

Een put van duizend jaar


Wie tussen 2018 en 2020 over de Groenmarkt en het Trudoplein liep, keek in een put van bijna duizend jaar. Laag na laag kwamen ze tevoorschijn, meer dan 3.000 graven, van de laatste Merovingers tot diep in de achttiende eeuw. Truienaren in houten kisten die de vorm van hun lichaam volgden, Truienaren met z'n tweeën in één kuil, en één Truienaar in een uitgeholde boomstam. Het archeologisch bureau Aron groef en groef, en noteerde een van de grootste opgravingen ooit in een Vlaamse stadskern.


De begraafplaats is de stad zelf, in botten verteld. Rond het midden van de zevende eeuw zet Trudo, een edelman die in Metz tot geestelijke is opgeleid, op zijn familiedomein Sarchinium een kapel neer, en later een abdij. Na zijn dood stromen de pelgrims toe, en waar pelgrims zijn, volgen ambachtslieden en handelaars. Zo ontstaat Sint-Truiden. De oudste graven horen bij die eerste abdij. Vanaf de elfde eeuw begraven de Truienaren hun doden bij de nieuwe Onze-Lieve-Vrouwekerk, en vanaf de dertiende eeuw alleen nog binnen het ommuurde kerkhof eromheen. Precies daar, waar nu de terrassen staan, lag tien eeuwen lang de stad onder de stad.



Het botmateriaal was uitzonderlijk goed bewaard, en daar zag een team van de KU Leuven rond de professoren Maarten Larmuseau en Toomas Kivisild meteen een kans in. In het depot van GAZO, waar de Truiense skeletten liggen, boorden ze stalen uit tanden en bot van 404 individuen. Nooit eerder werd ergens ter wereld op één opgraving het DNA van zoveel mensen gelezen. De eerste resultaten haalden in mei 2025 het journaal en alle kranten. "Dit is het grootste DNA-onderzoek op skeletten ooit op één locatie", zei Larmuseau toen aan VRT NWS. Het syntheserapport Besiect ende besmet, nummer 37 in de reeks SYNTAR van het agentschap Onroerend Erfgoed, verscheen dit jaar en vertelt het hele verhaal, ook de hoofdstukken die de krantenkoppen niet haalden.


Vijf Ieren op het kerkhof

Wie waren ze, die Truienaren van toen? Diverser dan wij, om te beginnen. In de vroege en volle middeleeuwen, tot 1286, was de genetische variatie op het kerkhof groter dan bij de huidige Belgische bevolking. Tussen de graven lagen vijf mensen die genetisch zo uit Ierland of Schotland konden komen. Ze lagen verspreid over het grafveld, waren geen familie van elkaar, en geen enkele kroniek verklapt wat vijf Ieren hier kwamen doen.

Verder was de Truienaar al vroeg wat hij nu is: een mengsel. Gemiddeld 63 procent Gallisch en 37 procent Germaans, en die verhouding bleef duizend jaar lang zo goed als onveranderd, tot bij de Limburgers van vandaag. In West-Vlaanderen schoof de balans in de loop der eeuwen nog op richting Gallisch. In Sint-Truiden was de zaak al in de vroege middeleeuwen beklonken.



Opvallend: families lagen zelden bij elkaar. Onder 404 individuen vonden de onderzoekers maar zeventien nauwe verwantschappen, waarvan amper zes tussen ouders en kinderen of tussen broers en zussen. Op een vergelijkbaar stadskerkhof in Cambridge kwam verwantschap tot tachtig keer vaker voor. In twaalf graven lagen twee mensen samen, en geen enkel koppel bleek familie. "Het lijkt er dus op dat de toewijzing van graven in Sint-Truiden zelden gebeurde op basis van familieband, maar eerder bepaald werd door overlijdenstijdstip, status of locatiegebonden regels", schrijven de auteurs. Wie stierf, kreeg blijkbaar het volgende vrije plekje, of de plek die bij zijn stand paste. Alleen in het oudste deel, bij de abdij, lagen iets meer verwanten samen.


De pest zonder kroniek

En dan de pest. In het gebeente van vijf Truienaren uit de veertiende eeuw zat het DNA van Yersinia pestis, de bacterie van de Zwarte Dood. Bij twee anderen waren er sporen, net niet sluitend genoeg. Het is het allereerste directe bewijs van een pestepidemie in middeleeuws Vlaanderen, en het ligt in Sint-Truiden. Geen massagraf, geen noodgraf, geen haastig gedolven kuil: de pestdoden liggen verspreid over het kerkhof, elk in een eigen graf, alsof er niets aan de hand was.



Het bizarre is dat niemand er iets over schreef. Niet de monniken van de abdij, die anders zo nauwgezet alles bijhielden. Niet de stadsklerken. Pas in het begin van de vijftiende eeuw duiken in de maandagboeken van de stad vage verwijzingen naar oversterfte op. Historici hadden daar hun conclusies uit getrokken: de Zwarte Dood zou de Zuidelijke Nederlanden maar licht hebben beroerd. De tanden van de Groenmarkt zeggen iets anders. "Het genetisch bewijs toont aan dat de afwezigheid van schriftelijke bronnen geenszins de afwezigheid van ziekte betekent", luidt het in het rapport. "Misschien wisten mensen in die tijd nog niet hoe besmettelijk de ziekte was", opperde Larmuseau bij VRT NWS. "De pest moet in elk geval een zware impact hebben gehad."


Het DNA vertelt ook wie met wie stierf. Twee volwassen mannen met de pestbacterie in hun botten, begraven op verschillende plekken van het kerkhof, bleken familie in de tweede graad, met dezelfde mitochondriale haplogroep: de pest ging van huis tot huis, en van familielid tot familielid. Bij één slachtoffer, ST1516 in de dossiers, bleef genoeg bacterieel DNA over om het naar de universiteit van Tartu in Estland te sturen, waar het letter voor letter werd uitgelezen. Twee mutaties in dat DNA ontbreken bij de stammen van de Zwarte Dood, maar duiken wel op bij latere stammen. Deze Truienaar stierf dus niet tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood, maar bij een van de pestgolven die daarna bleven komen, nog in dezelfde eeuw.


Vijf doden, is dat alles? Allerminst. De pestbacterie is in oud DNA berucht moeilijk te vinden, zelfs met de zwaarste apparatuur. Toch vertoonde van alle gescreende Truienaren uit de periode 1286 tot 1600 bijna tien procent sporen van de pest, en allicht bleven er nog meer slachtoffers onder de radar. In de genen van de nabestaanden liet de epidemie merkwaardig genoeg geen spoor na: geen verschuiving in de immuniteitsgenen voor en na de pest. Niemand had een aangeboren schild, iedereen was even kwetsbaar. Dat betekent volgens het rapport "geenszins dat er destijds weinig slachtoffers vielen, integendeel". Dat de doden toch netjes één voor één begraven werden, wijst volgens de auteurs op een tragere sterftegolf, of op een geloof dat zelfs midden in een epidemie geen rituele begrafenis oversloeg.



Luizen in de kleren, ratten in de goot

De pest was lang niet de enige ongenode gast in de stad. Van 372 genoomprofielen die op ziekteverwekkers werden gescreend, sloegen er 33 aan. Tien Truienaren, gestorven tussen ongeveer 800 en 1450, droegen hepatitis B. Zes anderen, uit de achtste tot de dertiende eeuw, hadden Borrelia recurrentis in het bloed gehad, de bacterie van de terugkerende koorts: golf na golf hoge koorts, dodelijk voor wie al verzwakt of ondervoed was. Die bacterie reist uitsluitend mee met de menselijke kleerluis, en waar kleerluizen zijn, zitten te veel mensen op te weinig plaats, met te weinig water. Vandaag komt de ziekte enkel nog voor in delen van Oost-Afrika. In middeleeuws Sint-Truiden was ze thuis: het is het eerste directe bewijs van terugkerende koorts in de middeleeuwse Lage Landen.


Drie Truienaren uit de periode 850 tot 1150 droegen bovendien Leptospira interrogans, de bacterie van de rattenziekte. Die komt via de urine van ratten en vee in water en modder terecht, kruipt door een wondje naar binnen en zet aan tot hoge koorts, nierfalen en leverfalen. Ratten in de goot, luizen in de kleren en een lever die het begeeft: "Het was dus lang niet altijd even proper in middeleeuws Sint-Truiden", concluderen de onderzoekers droogjes. Twee pestslachtoffers hadden daarbovenop nog iets anders onder de leden, de ene hepatitis B, de andere een streptokok. In de middeleeuwse stad kwam de dood zelden alleen.


Een virus als blinde passagier

De vreemdste vondst zit in de genen zelf. Bij vier Truienaren uit de achtste tot de twaalfde eeuw vond het team het humaan betaherpesvirus 6, een virus dat de wetenschap pas in de jaren tachtig ontdekte en dat bij kinderen de zesde ziekte veroorzaakt. Het heeft een zeldzaam talent: het kan zich in het menselijk genoom nestelen, en wie het in zeldzame gevallen in zijn kiembaan draagt, geeft het als erfelijke sequentie door aan zijn kinderen. Het volledige virus zit dan in elke cel van het lichaam, ook in tanden en botten, en blijft daar duizend jaar leesbaar. Een blinde passagier in de stamboom. De Truiense stalen maken deel uit van de eerste studie ter wereld waarin complete oude genomen van dit virus werden gereconstrueerd, en Sint-Truiden is de enige plek waar beide varianten, 6A en 6B, in dezelfde bevolking opdoken, hoogstwaarschijnlijk omdat hier zoveel stalen onder de loep gingen. Bij één Truienaar vond het team ook herpesvirus 7, voor het eerst ooit in een historische Europese context. "Zo worden virussen, net als hun menselijke gastheren, deel van de genetische erfenis van het verleden", schrijft het team.


Ieper krijgt de tentoonstelling

Sint-Truiden is de reus van de vier sites in het rapport. In Koksijde lazen de genetici vijftig skeletten uit een Merovingisch grafveld van rond het jaar 700: wel hepatitis B, geen pest. In Ieper legden ze de leprozerie Hooge Siecken naast het parochiekerkhof van Sint-Niklaas en vonden ze het eerste genetische bewijs van lepra in Vlaanderen. De leprozen kwamen uit de eigen stad en streek, maar niemand in de leprozerie lag bij naaste familie. Wie lepra had, leefde afgezonderd van de zijnen, binnen het domein van de leprozerie.


Het Ieperse luik wacht nog op zijn wetenschappelijke publicatie. Daarna komen er een publiekswebsite over de geschiedenis van lepra in Vlaanderen, Luid Geratel, en een grote tentoonstelling in het Yper Museum. En Sint-Truiden, de grootste opgraving van de vier en de enige met pest? Daarvoor somt het rapport de krantenkoppen van mei 2025 op en kondigt het verdere wetenschappelijke casestudies aan. Van een tentoonstelling over duizend jaar Truienaren is nergens sprake. Ieper krijgt het museum, Sint-Truiden kreeg het persbericht.


Wie vanmiddag op het terras van de Groenmarkt zit, zit op tien eeuwen Truienaren. Gallisch en Germaans, met hier en daar een Ier. Gebeten door luizen, besmet door ratten, met een virus in de stamboom. En in de veertiende eeuw geveld door een pest waarover niemand één letter op papier zette. Dat laatste is nu, zevenhonderd jaar te laat, rechtgezet.


Besiect ende besmet. De pathogene synthese van een leprozerie tegenover andere middeleeuwse begraafplaatsen in Vlaanderen, Maarten Larmuseau, Noah Gaens en Toomas Kivisild, SYNTAR 37, agentschap Onroerend Erfgoed, 2026, 124 blz. Gratis te downloaden via doi.org/10.55465/MIER2925.


Foto's: Dirk Selis en ARON bvba

 
 
 

Opmerkingen


bottom of page